Terminologie
Verklarende
woordenlijst
anisocoria:
aandoening bij de welke de pupillen van beide ogen niet even groot zijn
ankyloblefaron:
aandoening waarbij de randen van de oogleden aan elkaar vergroeid zijn.
asteroid
hyalosis: calcium-vet
complexen die zich in een voor de rest normaal vitreum bevinden
canaliculi:
fijne
kanaaltjes die de verbinding vormen tussen de bovenste en onderste traanpunten
met de traanzak, ze dienen voor de afvoer van de tranen naar de neus toe.
cataract:
troebeling
van de lens of van het lenskapsel of van beide
chemosis:
oedeem
van de slijmvliezen.
cherry
eye: traanklier
van derde ooglid die niet meer vastzit aan de oogbol zelf en naar buiten
omklapt, ze is dan als rood bolletje zichtbaar aan de neuskant van de oogbol
choroidea:
vaatvlies,
gelegen achter het netvlies
conjunctiva:
slijmvlies langs de binnenkant van de oogleden en op een deel van de oogbol.
cornea:
hoornvlies
cul
de sac: fornix,
het gebied waar de slijmvliezen die het onderste ooglid en de oogbol aflijnen
bij elkaar komen
dermoid:
een
aangeboren “tumor” bestaande uit huid en aanverwante structuren bv.
haarfollikels
distichiasis:
enkele
of vele haartjes op de vrije ooglidrand, ze komen doorheen de openingen van de
kliertjes van Meibomius, deze haartjes kunnen fijn en zacht zijn, (bv. bij
Cockers) dan veroorzaken
ze geen
irritatie; zijn ze daarentegen stug, (bv. bij Flatcoated Retriever) dan kan
beschadiging van het hoornvlies optreden.
districhiasis:
deze
term wordt gebruikt als er bij distichiasis verscheidene haartjes uit één
opening van Meibomius komen
ductus
nasolacrimalis: kanaal
dat de verbinding vormt tussen de traanzak en de neusopening, hierlangs worden
de tranen afgevoerd.
ectopische cilie: hierbij bevinden zich 1 of meer haartjes in een kliertje van Meibomius, maar dit haar komt niet door de opening op de ooglidrand zelf naar buiten , maar wel doorheen het slijmvlies van het ooglid, en daardoor beschadigt dit haar het hoornvlies, de ectopische cilie bevindt zich meestal in het midden van het bovenooglid (dit noemt men 12 o’clock positie).
ectropion:
het
naar buiten openhangen van de onderste oogleden, (bv. bij Bloedhond), het rode
slijmvlies is dan goed zichtbaar
electroretinogram:
een
grafische weergave van de actiepotentiaal, die ontstaat na lichtstimulatie van
de retina (netvlies).
entropion:
het
naar binnen omkrullen van de oogleden, hierbij wrijven haren en huid van het
omgekruld ooglid tegen het hoornvlies , letsels in het hoornvlies kunnen
hierdoor voorkomen
eversio
van kraakbeen van derde ooglid:
kraakbeen van derde ooglid dat omgeklapt is ,weg van de oogbol.
fotofobie:
lichtschuw
fotoreceptoren:
verzameling
van staafjes en kegeltjes in het netvlies.
glaucoom:
verhoogde
druk in de oogbol, die beschadiging van oogstructuren veroorzaakt
goniodysgenesis:
abnormaal
gevormde irido-corneale hoek
gonioscopie:
onderzoek
van de hoek tussen het hoornvlies en de iris (irido-corneale hoek), hierbij
wordt gebruik gemaakt van een cornea- contact lens, een lichtbron en een
vergroting.
heterochromia
iridis: aandoening
waarbij de irissen van beide ogen niet identiek van kleur zijn, of ook het
voorkomen van
2 verschillende kleuren in de iris van 1 oog.
Horner’s
syndroom: verlamming
van de nervus sympathicus, met als gevolg kleine pupil, dieper liggende oogbol,
afhangen van de oogleden en derde ooglid dat ver over de oogbol zit
hyfema:
bloed
in de voorste oogkamer
hypopion:
etter in de voorste oogkamer.
hypotonie:
verlaagde
druk in de oogbol
imperforate
punctum:
traanpunt dat afgedekt is door een vliesje waardoor de tranen niet normaal
afgevoerd kunnen worden met als gevolg tranende ogen.
iris: regenboogvlies.
iriscollarette:
overgang
in de iris tussen pupillaire zone (meestal donkerder van kleur) en ciliaire zone
(aan de rand, meestal lichter van kleur).
KCS:
kerato-conjunctivitis
sicca, chronische irritatie van slijmvliezen en hoornvlies ten gevolge van een
te lage traanproductie.
kegeltjes:
cellen
in het netvlies die zorgen voor het kunnen zien bij daglicht en voor het zien
van details
keratitis:
ontsteking
van het hoornvlies.
lagofthalmos:
aandoening
waarbij de oogbol niet volledig bedekt is als de oogleden gesloten zijn.
lensluxatie:
lens
die niet meer op de oorspronkelijke plaats zit, maar naar voor of naar achter
gekanteld is in het oog
leukocoria:
witte
pupil
membrana
nictitans: derde
ooglid, soort vlies gelegen langs de neuskant van de oogbol, in dit derde ooglid
zit een T-vormig stukje kraakbeen met aan de basis ervan een traanklier
(glandula membrana nictitans, traanklier van derde ooglid)
micropunctum:
te klein traanpunt
miose:
samengetrokken
pupil (constrictie)
mydriase:
wijd
openstaande pupil
nucleaire
sclerose:
normale veroudering van de lens, vooral in het centrum van de lens.
oftalmoscoop: toestel dat gebruikt wordt om de fundus van het oog te bekijken
panofthalmitis:
ontsteking
van alle oogstructuren, in en vaak ook rond de oogbol.
patellar
fossa: ruimte
tussen de achterkant van de iris en de voorkant van het vitreum waar de lens
zich normaal bevindt
persisterende
pupillaire membranen: voor
de geboorte is de pupil afgesloten door een dun vliesje, dat
normaal gezien volledig verdwijnt enkele weken na de geboorte, soms blijven er
restantjes over, zichtbaar als bruine of blauwe gekleurde draadjes langs de
voorkant van de iris, deze draadjes maken soms ook contact met de binnenkant van
het hoornvlies of met het voorste lenskapsel.
proptosis:
voorwaartse
verplaatsing van de oogbol
protrusie derde ooglid: vliesje dat vanuit de mediale ooghoek (d.w.z. langs de neuskant) een deel van de oogbol bedekt, in normale omstandigheden is enkel een klein deeltje in het putje van het oog zichtbaar.
ptosis:
afhangen
van het bovenste ooglid
retina:
netvlies
rubeosis
iridis: neovascularisatie
van de iris
staafjes:
cellen
in het netvlies, verantwoordelijk voor het zien bij weinig licht.
Schirmer
tear test: test
waarbij dmv absorberende papierstrip de traanproductie wordt gemeten gedurende 1
minuut
spleetlamp
of biomicroscoop: microscoop
die gebruikt wordt voor het oogonderzoek, werkt dmv lichtbron waarbij de dikte
van de lichtstraal gewijzigd kan worden tussen ronde opening en smalle of
bredere lichtstraal.
subluxatie
van lens: lens-ophangbanden
zijn grotendeels doorgescheurd maar lens bevindt zich nog steeds in de
“patellar fossa”.
symblefaron:
vergroeiing
tussen het slijmvlies van de oogleden (palpebrale conjunctiva) en
het slijmvlies van de oogbol (bulbaire conjunctiva) of van deze slijmvliezen met
het hoornvlies zelf
synchisis
scintillans: cholesterol
kristallen in een vervloeid vitreum
tonometer:
instrument dat gebruikt wordt voor het meten van de oogdruk.
trichiasis:
wimpers
bevinden zich op de juiste plaats aan de oogleden maar wijzen in de verkeerde
richting en irriteren zo het hoornvlies, kan zich voordoen aan de bovenoogleden
(bv. bij Cocker, Sharpei en Chow-Chow) of aan de neusplooi (bv. bij Pekingees en
Shi Tsu)
uvea:
bestaat
uit een voorste en achterste gedeelte, nl. iris en corpus ciliare enerzijds en
choroidea anderzijds.
uveïtis:
ontsteking
van het uveaal weefsel
vitreum:
transparante
gel die achterste deel van het oog, gelegen achter de lens, vult.
voorste
oogkamer:
ruimte met vocht gevuld, die langs voor afgeschermd wordt door het hoornvlies en
langs de achterzijde door de lens en de iris.
wimpers
of cilia: rij fijne haartjes juist buiten de ooglidrand gelegen, bij de hond alleen aan het
bovenooglid, de kat heeft geen echte wimpers.
zonules:
fijne
ligamenten , tussen het corpus ciliare en de rand van de lens, ze houden de lens
op haar plaats
Meer informatie over oogziekten bij dieren, zie www.oog-dierenarts.be